In de trialsport van tegenwoordig hebben de onverharde wegen plaats gemaakt voor afgesloten terreinen en de hellingen zijn vervangen door non-stops. Omdat we in Nederland eigenlijk geen uitdagend natuurlijk terrein hebben, bestaan de non-stops nagenoeg altijd uit bergen zand, verrijkt met boomstammen, rioolpijpen, blokken puin, etc. Het gaat er dus eigenlijk om, de non-stops zo beheerst mogelijk en zonder een voet aan de grond te hoeven zetten, te rijden.
Wedstrijden in Nederland worden verreden in clubverband of op nationaal niveau. Een nationale wedstrijd bestaat uit 10 of 12 non-stops, welke vier maal(in geval van 10 non-stops) en 3 maal(in geval van 12 non-stops) in volgorde gereden moeten worden. Zo'n non-stop is een stukje met lint afgezet terrein met de meest (on)mogelijke hindernissen erin. Er wordt in vijf verschillende klassen gereden, van opstappers tot experts. Voor elke klasse is er binnen zo'n non-stop een route uitgezet met behulp van gekleurde pijlen. Een controleur houdt nauwlettend de verrichtingen van een rijder in het oog. Er is dus steeds maar een rijder tegelijk binnen een non-stop aan het rijden.

Zet je een voet aan de grond, dan kost je dat één strafpunt, twee keer een voet is twee strafpunten en drie of meer keer een voet aan de grond is drie strafpunten. Wijk je van die route af doordat je een pijltje mist of over (door) het lint rijdt, dan kost je dat het maximale aantal van vijf strafpunten. Verlies je de controle over de motor door een val of door het afslaan van de motor met een voet aan de grond, dan wordt dat ook bestraft met de volle vijf strafpunten, evenals achteruit rijden (hoe klein dat stukje achteruit ook is).
Zo zijn er nog meer regels die je strafpunten kunnen opleveren. Deze strafpunten worden bijgehouden op een knipkaart welke de rijder bij zich houdt. Aan het einde van de wedstrijd worden alle knipkaarten ingeleverd bij de wedstrijdleiding. Uiteindelijk is degene met de minste strafpunten winnaar van de wedstrijd.
